Het was hem gelukt. Ze was als een naïeve vlinder in de plakkerige draden van zijn zorgvuldig gesponnen web gevlogen. Nu kon ze geen kant meer op al had ze dat zelf nog niet door. De wijn had zichtbaar zijn werk gedaan en hij manoeuvreerde haar handig naar het bed. Uitgelaten liet ze zich achterover vallen en keek hem wat glazig aan. Aangezien haar ouders en broertje niet thuis waren had hij die avond vrij spel. Het moment van de waarheid was aangebroken, hij moest snel handelen. Nonchalant toverde Lees meer [...] Willoze opblaaspop
Featured
4
Het was hem gelukt. Ze was als een naïeve vlinder in de plakkerige draden van zijn zorgvuldig gesponnen web gevlogen. Nu kon ze geen kant meer op al had ze dat zelf nog niet door. De wijn had zichtbaar zijn werk gedaan en hij manoeuvreerde haar handig naar het bed. Uitgelaten liet ze zich achterover vallen en keek hem wat glazig aan. Aangezien haar ouders en broertje niet thuis waren had hij die avond vrij spel. Het moment van de waarheid was aangebroken, hij moest snel handelen. Nonchalant toverde Lees meer [...]
In een klein dorpje aan rand van een eindeloze woestijn woonde een oude maar rijke kleermaker en zijn jonge vrouw. De kleermaker heette Abel en was een buitengewoon vroom mens. Elke dag besteedde uren van zijn kostbare tijd aan het gebed. Niet alleen zijn vroomheid en zijn rijkdom maakte hem tot een opvallende verschijning, vooral het feit dat hij vanaf zijn middel verlamd was, door een ongelukkige val van een ezelsrug in zijn kindertijd, zorgde ervoor dat iedereen uit de wijde omgeving
Met haastige passen liep hij voort, zijn ogen neergeslagen, de blikken van voorbijgangers vermijdend. In iedereen zag hij een verklikker, het grijze vrouwtje in vaal roze op het bankje, de donkerharige jongens bij de straatlantaarn. Zouden zij iets aan hem zien? Niemand mocht hem dit afnemen, dit was een droom die uitkwam, de adrenaline zong door zijn iele jongenslijf. Hij sloeg af naar het pad onder de bomen, het bladerdak versluierde zijn intenties. Het was avond, en bomen en planten wasemde
Ik heb nooit goed kunnen praten. Het is niet dat ik er iets mis is met mijn stembanden, tong of lippen, maar er gaat iets mis in mijn hoofd. Het is er alsof er een stoorzender in mijn brein geplant is die al mijn woorden door elkaar gooit vlak voordat ze mijn mond verlaten. Dat is altijd al zo geweest en de dokters kunnen er niets aan doen. Ik zeg dingen die ik niet wil zeggen, dus zeg ik vaak maar niets. Meestal ben ik alleen. De eenzaamheid verkies ik boven het hoongelach en pesterijen. Ik zwerf
Daar stond ze dan, als een in het nauw gedreven hert in een hoek van het slaapvertrek, hem met grote bange ogen aankijkend, onwetend van wat er komen ging. In de gelaatstrekken herkende hij haar vader, het verse verdriet gloeide op als kolen door een zuchtje wind. Het stak hem en hij liet zijn blik vlug afdalen naar haar lichaam. Haar lange rokken versluierde haar vrouwelijke rondingen nauwelijks. Als een stille belofte welfde haar volle billen in het soepele katoen van haar kaftan. Ze had haar ogen
Hier moest het zijn. Gespannen keek ik om me heen, elk detail in me opnemend. Ik was zojuist onder het viaduct doorgefietst, daar was het bruggetje, en ja, daar aan de bosrand het houten hek. Precies zoals in de beschrijving. Met bonzend hart stapte ik van mijn fiets. Op het bruggetje liep een oudere man met een hond. Zou hij er ook een zijn? Of was hij zomaar een voorbijganger, of een buurtbewoner, die wist wat in het bos gaande was en het verafschuwde. Hij zou mij gelijk doorhebben, weten wat ik
Men zegt wel eens dat mensen die de schoonheid in de schoot geworpen hebben gekregen een verziekt karakter hebben en dat van de mens wiens uiterlijk misvormt is het hart dan wel van goud moet zijn. Martijn was het ademende bewijs dat deze mensen maar wat zeggen.
Ondanks zijn brede voorhoofd, zijn flaporen, zijn blauwbleke vissenogen, zijn dopneus en zijn gedrongen brede bouw – waardoor hij leek op een hulkachtig wezen bekleed met mensenhuid- had Martijn een buitengewoon onaangenaam karakter.
Toen de nacht zijn bedekkende mantel over de wereld had gespreid openden de mannen de jacht op ivoorkleurige slavenjongens wiens nauwe openingen verlichting boden voor hun brandende lust. Niets is mooier dan achter een in de strijd verslagen blanke jongeman plaats te nemen en zijn strakke jongensvijg te doorsteken als de perzik van je echtgenote. Niets is heerlijker dan hun gespannen nauwheid rond je mannelijke hardheid, hun zachte klagende kreten die langzaam over gaan in berusting. Maar het ultieme
Langzaam werd ik uit de diepten van mijn slaap omhooggetrokken en ondanks mijn verzet tegen het wakker worden lag ik weldra met geopende ogen naar het donkere plafond te kijken. Daan lag naast me. Hij was het die me met zijn gewoel gewekt had. Hij lag daar, zich van geen kwaad bewust op het witte kussen, zijn lange zwarte wimpers trilde zo nu en dan als voelsprieten van een nachtvlinder. Verder was zijn gezicht sereen. Ook al kende ik hem al jaren zijn schoonheid deed me nog steeds verwonderen. Zijn
Het was op een nagloeiende nazomerdag dat ik, na schooltijd, met enigszins slappe knieën zorgcentrum de Meander binnenstapte. Zodra de glazen deuren zich achter mijn sloten bekroop het me al. Het was alsof ik een andere wereld binnenging. Een wereld gebrek en ellende. Een binnenwereld die ik van buiten, door de vrolijke bakstenen muren nooit gezien had. Zoals ieder verzorgingstehuis hingen steriel witte muren vol met kleurige schilderijtjes van de bewoners. De veredelde kindertekeningen contrasteerde
In een moment dat eeuwig leek te duren trok de wereld als in een vertraagde film aan hem voorbij. Het leek alsof hij naar het verstilde decor van een poppenkast keek. Kleuren werden honderdmaal feller. Het scherpe voorjaarsgroen van de plantsoenen stak als een mes in zijn ogen, de flats waren diepgrauw en eindeloos hoog als donkere kastelen. Een blaffende beat vulde zijn hoofd, de woorden verstond hij al niet meer, het was als een drum uit Afrika, ontdaan van alle versieringen, donker en diep als
Ik moet zo’n zestien jaar geweest zijn toen de onderstroom me voor het eerst greep en meevoerde. Ik fietste van school naar huis, het was een zwoele zomernamiddag. Moederziel alleen reed ik over de dijk, aan mijn ene hand de rivier, aan de andere zijde oude boerderijen met rieten daken. Aan de oever van de rivier groeide, als waren ze met een stompe penseel aangestipt, kleine bosschages voor het dunne zandstrandje. In de verte zaten twee jongens te vissen. De rivier zond een lichte koele bries
Ik had hem al in het warmwaterbad gezien. Hij lag daar als een krokodil in de hoek van het bad, zijn lippen onder water zodat alleen zijn donkerbruine ogen boven de waterrand uit kwamen. Zijn blik was taxerend als van een roofdier, niet gericht op interactie maar speurend naar een kans, een mogelijkheid, een moment van zwakte. Nu stond hij boven ons op de wenteltrap van de glijbaan, hij stootte zijn vrienden aan en wees naar ons. Een van hen floot, de anderen lachten. Sam en ik negeerden hen zo koel
Mijn handen woelde in mijn jaszakken, mijn broekzakken, steeds zenuwachtiger. ‘Heb jij mijn portomonee’, ik keek Meike aan, zij keek bezorgd terug terwijl ze in haar tasje graaide. ‘Nee, je hebt hem op de sociëteit laten liggen. Lul die je bent.’ De stemming sloeg ineens om. Ik durfde onze taxichauffeur nauwelijks aan te kijken. ‘Ik kan nu niet betalen, als ik uw gegevens mag dan ontvangt u het bedrag later’. Even was het stil. We zaten daar, ik en Meike op de achterbank van de taxi
Hij zat tegenover mij in de witte, steriele onderzoekskamer. Alles in de ruimte ademde professionaliteit, ik voelde me zelfverzekerd ondanks het feit dat dit mijn eerste observatiegesprek was. ‘Alladin, weet jij waarom je hier bent?’, vroeg ik hem vriendelijk. Hij zat wat onderuitgezakt, de armen over elkaar, de blik stuurs op het bureaublad gericht. Een tijdlang was het stil. Vluchtig keek ik in het dossier wat voor me lag. Mijn ogen scanden de tekst. Zestien jaar, persoonlijkheidsstoornis,
Sinds Anna’s bekering verdwenen haar goedblonde krullen onder een hoofddoek en maakte ze elke dag de gang naar de moskee. Wel nam Alladin haar nog wel eens mee naar het park, sommigen dingen veranderen niet. Wij lachten dan veelbetekenend om de twijgjes en grassprietjes op haar hijab. Alladin vertelde dat ze, sinds ze god gevonden had, haar gezicht met de sleep van haar sluier bedekte, als ze met haar onderlichaam ontbloot op haar rug in het gras lag. Hij zag dan alleen haar ogen, waarin overigens